Wie was Zedekia

 

     De politieke situatie in het jaar 608 v. Chr. was de situatie die onmiddellijk voorafgaat aan het begin van de geschiedenis in het Boek van Mormon en was tevens de situatie toen Lehi aan zijn bediening begon. Toen werd het koninkrijk Juda geconfronteerd met een zeer gevaarlijke situatie. Nacho, de Egyptische farao, had een leger uitgezonden tegen Assyrië en moesten daarvoor door Palestina trekken. Josia de koning van Juda besloot het leger te verslaan en ging aan het hoofd van een kleine Judese legermacht, doch zij werden verslagen en Josia werd gedood.

 

     De Judeeërs kozen een zoon van Josia's zonen, Joahaz, tot koning, maar drie maanden later vervingen de Egyptenaren hem door een andere zoon van Josia, Jojakim. Drie jaar lang oefende de Egyptische farao de macht uit in het koninkrijk Juda door middel van de vazal Jojakim. Toen, in het gedenkwaardige jaar 605 v. Chr., verzamelde de Babyloniërs een machtig leger en verpletterde de troepen van de farao in de veldslag van Carchemish en namen daardoor Juda uit de greep van de Egyptenaren. Het Bijbelse verslag van die tijd staat in 2 koningen 23-25; 2 Kronieken 36 en Jeremia 26-39.

 

    Maar het Joodse volk kreeg niet zijn vrijheid terug. In plaats van Egyptische overheersers, waren het nu Babylonische. Het zuiden van Palestina werd een vazalstaat. Jammer genoeg voor iedereen lieten ze toe dat de verrader Jojakim, die door de Egyptenaren benoemd was, zijn troon behield. Kort daarna kwamen de koning en zijn onderdanen in opstand. Koning Nebukadnessar zond een leger naar Jeruzalem en belegerde de opstandige stad. Omstreeks die tijd moet Jojakim of gestorven of door de vijand gevangengenomen zijn, want volgens het Bijbelse verslag is het zijn zoon Jojachin die zich overgeeft aan de Babyloniërs.

 

    Deze strijd tussen Assurië, Babylonië en Egypte vond plaats vóór de tijd die beschreven wordt in het Boek van Mormon, maar wel gedurende het leven van de leidende figuren in het begin ervan, toen de eenentwintigjarige Zedekia, de goed bedoelende maar uiterst zwakke oom van de ongelukkige Jojachin in het eerste jaar van zijn regering was. Volgens het boek 2 Koningen werd hij op de troon gezet door Nebukadnessar van Babylonië.

 

    Het was een tijd van grote goddeloosheid. Onzedelijkheid en corruptie waren algemeen. Oneerlijkheid, meineed en afgodendienst kwamen overal voor. Alsof de zonden van het volk nog niet genoeg waren om de oordelen Gods te doen uitstorten, verkoos Zedekia het rampzalige beleid van Jojachin te volgen door te proberen een verbond met Egypte te sluiten en een afscheiding van Babylonië te beramen.

 

    Het was in die tijd dat de profeet Jeremia, die zich gedurende de regering van Jojachin al berucht had gemaakt vanwege zijn sombere profetieën, opnieuw openlijk de onheilspellende waarschuwing verkondigde, dat tenzij zij zich bekeerden en naar de vermaningen van de Heer luisterden, Jeruzalem en de tempel vernietigt zouden worden en het hele volk in ballingschap weggevoerd zou worden, terwijl zij dit als een grove belediging beschouwde.  

 

   Volgens de woedende priesters en prinsen was zijn profetie verraderlijk en grenzend aan godslastering. Jeremia werd gearresteerd en in de gevangenis geworpen. Als Lehi in Jeruzalem gebleven was, had hij waarschijnlijk hetzelfde lot ondergaan, of misschien nog erger. En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.