Laban de bewaarder van de koperen platen

 

    Nephi was met zijn broers de wildernis ingegaan om de koperen platen te gaan halen waar de kroniek op stond van de Joden en ook een geslachtsregister van hun voorvaderen. Ze waren op weg naar het huis van Laban om die kronieken te verkrijgen en deze mee te brengen de wildernis in naar de plek waar zij hun kamp hadden opgeslagen en waar Lehi en Sariah achter waren gebleven. Toen zij in de buurt van het huis van Laban waren lootten zij wie van hen bij Laban naar binnen zou gaan. Het lot viel op Laman en hij ging het huis van Laban binnen.

 

    Hij verzocht Laban om de kronieken die ook het geslacht-sregister van hun vader bevatten aan hem mee te geven. Laban raakte vertoornd, wierp hem naar buiten en zei: "Zie, gij zijt een rover en ik zal u doden." Hierop nam Laman de benen en vertelde later de dingen die Laban had gedaan. De moed zonk hun in de schoenen en zij werden buiten-gewoon bedroefd, en de broeders van Nephi stonden op het punt naar hun vader in de wildernis terug te keren.

 

    Maar Nephi zei daarop: "Zowaar de Heer leeft, en zowaar wij leven, wij gaan niet terug voordat wij hebben volbracht wat de Heer ons heeft geboden. Wij gaan naar het erfland van vader want hij heeft goud en zilver en allerlei rijkdommen achtergelaten omdat de Heer hem dat geboden heeft. Het is wijsheid in het plan van God dat wij die kronieken in ons bezit krijgen om de taal van onze vaderen voor onze kinderen te bewaren.

 

     Toen zij bij Laban verzochten hun de kronieken te geven, boden zij hiervoor al hun waardevolle bezittingen aan. Toen Laban hun bezit zag, en dat het buitengewoon veel was, begeerde hij het zodanig dat hij zijn dienstknechten riep om hun te doden, teneinde hun bezit te bemachtigen. Ze sloegen op de vlucht en lieten hun bezit achter.

 

    Laman was erg kwaad, zowel op Nephi als ook op zijn Vader en Lemuël sloot zich bij hem aan en spraken harde woorden tegen Nephi en sloegen hem met een stok. Maar opeens kwam er een engel des Heren voor hen staan, en zei: "Waarom slaat gij uw jongere broeder met een stok? Weet gij niet dat de Heer hem heeft gekozen om heerser over u te zijn, en wel wegens uw ongerechtigheden? Zie, gij moet wederom naar Jeruzalem teruggaan en de Heer zal Laban in uw handen overgeven." Toen de engel was vertrokken, begonnen Laman en Lemuël wederom te morren en daarom liet Nephi hen nachts zich buiten de muren van Jeruzalem verbergen.

 

     Nephi sloop de stad in en werd door de Geest geleid. Toen hij het huis van Laban naderde, zag hij een man vóór hem op de grond liggen die dronken was van de wijn. Toen hij bij hem kwam merkte hij dat het Laban was en zag zijn zwaard en trok het uit de schede, terwijl de Geest er bij hem op aandrong Laban te doden. Maar Nephi dacht bij zichzelf: Nog nooit heb ik het bloed van een mens vergoten. En hij deinsde terug en wilde dat hij hem niet behoefde te doden. Maar de Geest zei tegen hem: "Zie, de Heer heeft hem in uw handen overgeleverd. Dood hem, want de Heer doodt de goddelozen om zijn rechtvaardige doeleinden te vervullen. Het is beter dat één mens omkomt dan dat een natie in ongeloof verkommert en verloren gaat. Daarom gehoorzaamde Nephi de stem van de Geest, vatte Laban bij zijn hoofdhaar en sloeg hem het hoofd af met zijn eigen zwaard. (Zie 1 Nephi 3:3-4:18.) En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.