Was het hard wat Lehi van zijn zoons vergde?

 

     Lehi, de Mormoonse aartsvader uit 1 Nephi 1 in het Boek van Mormon, was een profeet uit de tijd van koning Zede-kia van Judea, en werd door de Joden in Jeruzalem vervolgd om zijn waarschuwingen. In een droom wordt hij gewaarschuwd om de stad te ontvluchten, omdat de Joden hem naar het leven staan. Hij trekt met zijn gezin de wildernis in, waarbij de twee oudste zoons Laman en Lemuel opstandig zijn, en de jongste zoons Sam en Nephi volgzaam.

 

    Lehi krijgt, via openbaring opdracht om zijn zonen terug te sturen naar Jeruzalem om de toenmalige Kroniek van het Oude Testament, gegraveerd op koperen platen, te verkrijgen van ene Laban een vermogend en machtig man.  

 

    "En het geschiedde dat ik, Nephi, mij naar de tent van mijn vader begaf. En het geschiedde dat hij tot mij sprak, zeggende: Zie, ik heb een droom gedroomd waarin de Heer mij heeft geboden dat gij en uw broeders naar Jeruzalem zullen terugkeren. Want zie, Laban heeft de kroniek der Joden en ook een geslachtsregister van mijn voorvaderen, en ze zijn op platen van koper gegraveerd. Daarom heeft de Heer mij geboden dat gij en uw broeders naar het huis van Laban moeten gaan en de kronieken verkrijgen en ze hier brengen, de wildernis in. En nu, zie, uw broeders morren, zeggende dat het moeilijk is wat ik van hen heb geëist; maar zie, niet ik heb het van hen geëist, doch het is een gebod des Heren. Welnu, ga, mijn zoon, en gij zult door de Heer worden begunstigd omdat gij niet hebt gemord. En het geschiedde dat ik, Nephi, tot mijn vader zeide: Ik zal heengaan en de dingen doen die de Heer heeft geboden, want ik weet dat de Heer geen geboden aan de mensenkinderen geeft zonder een weg voor hen te bereiden, zodat zij kunnen volbrengen wat Hij hun gebiedt. En ik, Nephi, en mijn broeders gingen op reis door de wildernis, met onze tenten, om op te gaan naar het land Jeruzalem. En het geschiedde, toen wij naar het land Jeruzalem waren opgegaan, dat ik en mijn broeders met elkaar overlegden." (Zie 1 Nephi 3:1-10.)

 

    De afstand van Jeruzalem naar de Rode Zee (de Golf van Aquaba) is ongeveer 290 km door heet en droog land dat vroeger onveilig gemaakt werd door rovers. Zij waren daar boven nog drie dagen verder gereisd. (Zie 1 Nephi 2:6.) Dit betekende minstens een reis van twaalf tot veertien dagen in één richting, wat nog meer betekenis geeft aan Nehi's reactie in vers 7. "want ik weet dat de Heer geen geboden aan de mensenkinderen geeft zonder een weg voor hen te bereiden, zodat zij kunnen volbrengen wat Hij hun gebiedt."

 

    Hoe oud we ook zijn, of in welk levensstadium dan ook, dagelijkse gehoorzaamheid aan de beginselen van het evangelie is de enige weg die naar eeuwig geluk voert. Op het moment dat gehoorzaamheid ons niet meer irriteert, en ons voornaamste streven wordt, zal God ons begiftigen met macht. (Conference Report, april 1998, p. 108.)

 

     Ik erken de noodzaak van gebed en geloof om de geboden van de Heer te gehoorzamen: Wie we ook zijn, hoe moeilijk ook de omstandigheden, toch kunnen wij weten dat wat onze Vader ons gebiedt te doen is en daarmee in aanmerking komen voor de zegeningen van het eeuwige leven, ja, dat dit voor ons bereikbaar is. ‘We moeten met geloof bidden om te weten wat we moeten doen en we moeten bidden met het vaste voornemen om te gehoorzamen en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.