Zoram de knecht van Laban en de eed van Nephi

 

    Toen Nephi met het zwaard van Laban het hoofd van Laban had afgeslagen, nam hij de kleding van Laban en trok die aan en omgordde zijn lendenen met het harnas van Laban. Hij begaf zich toen naar de schatkamer van Laban en kwam de dienstknecht van Laban tegen die de sleutels van de schatkamer had. Nephi gebood hem met de stem van Laban hem naar de schatkamer te vergezellen en Zoram de dienstknecht veronderstelde dat Nephi zijn meester, Laban, was, want hij zag de klederen en ook het zwaard dat om zijn lendenen was gegord.

 

     Zoram sprak tot hem over de oudsten der Joden, want hij wist dat zijn meester, Laban, die avond bij hen was geweest en Nephi sprak tot hem alsof hij Laban was. Nephi zei hem ook dat hij de graveersels, die zich op de platen van koper bevonden, naar zijn oudere broeders moest brengen, die buiten de stadsmuren waren en hij gebood Zoram hem te volgen. Zoram veronderstelde dat Nephi over de broeders van de kerk sprak en dat hij werkelijk die Laban was en daarom volgde hij Nephi.  

 

      Eenmaal buiten de muren zag Laman, de oudste broer van Nephi hen die uitermate bang werd, en ook Lemuël en

Sam. En zij vluchtten van Nephi weg, want zij dachten dat hij Laban was en dat hij Nephi had gedood en ook hun wilde doden. Toen riep Nephi met zijn eigen stem hen na, waarop zij hun vlucht staakten. (Zie 1 Nephi 4:19-29.)

 

     Toen Zoram de broers zag en Nephi's werkelijke stem hoorde, kreeg hij de schrik van zijn leven en wilde in paniek terug naar de stad vluchten. In een dergelijke situatie was er maar een ding dat Nephi kon doen, om tegelijkertijd Zoram te sparen en te vermijden dat er alarm werd geslagen. Tevens had geen westerling kunnen raden wat dat was. Nephi, een sterke vent, greep Zoram vast en fluisterde hem een eed in het oor: "zowaar de Here leeft en ik leef" dat hij hem geen kwaad zou doen als hij wilde luisteren. Zoram ontspande zich direct en Nephi zwoer hem dat hij een vrij man zou zijn als hij zich bij hen wilde voegen en zei: "Als je met ons mee wil gaan de wildernis in naar mijn vader, zult je als een van ons zijn." (Zie 1 Nephi 4:34.)

 

     Wat de westerse lezer verbaast is het wonderbaarlijke effect van Nephi's eed op Zoram, die na het horen van een paar gewone woorden prompt handelbaar wordt, terwijl ook de broers, zodra Zoram zich onder ede had geplaatst, niet langer bang voor hem waren. (Zie 1 Nephi 4:35, 37.)

 

     De reactie van beide partijen wordt begrijpelijk als u weet dat onder de woestijnvolken en hun afstammelingen, de eed iets heiligs en onschendbaars is. Een Arabier zal praktisch nooit zijn eed breken, zelfs als zijn leven in gevaar is, want er is niets sterker en niets heiliger dan een eed onder de nomaden en zelfs onder de Arabieren uit de stad, als hij gegeven wordt onder bepaalde omstandigheden. Maar niet iedere eed voldoet. Om echt bindend en plechtig te zijn moet de eed op het leven van iets worden afgelegd. De eed die nog zwaarder weegt dan de eed "zowaar als ik leef" is de "wa hayat Allah" "zowaar als God leeft", wat precies overeenkomt met het Hebreeuwse hai Elohim.

 

     Zo zien we dat de enige manier waarop Nephi een kans had om de tegenstribbelende Zoram in een korte tijd tot bedaren te brengen was een eed uit te spreken die niemand zou durven breken de plechtigste eed van alle voor de Semiet: "Zowaar de Here leeft en ik leef." (1 Nephi 4:32.) En dit is mijn getuigenis in Jezus naam. Amen.